KNMI Nieuwsberichten

-- Berichten van gisteren of eerder.
21 februari 2019 Seismologen van het KNMI hebben de afgelopen maanden een afwijking ontdekt in de versnellingsmeters in het netwerk in de provincie Groningen. Versnellingsmeters leggen de grondversnelling vast die optreedt bij een aardbeving. Het euvel heeft geen gevolgen voor de geregistreerde aardbevingen. De afwijking had geen invloed op het bepalen van de kracht van een aardbeving, de magnitude. De magnitude wordt geregistreerd door een separaat netwerk van seismologische meetstations. Informatie over de grondversnelling levert extra informatie over de intensiteit van een beving aan het aardoppervlak. Het probleem was vooral een instellingsprobleem van de techniek. Er is geen sprake geweest van onjuiste meldingen van opgetreden aardbevingen, niet in aantal, tijdstip, locatie of magnitude. Na de ontdekking hebben de seismologen de afstelling bijgesteld. Op dit moment vindt op basis van de aangepaste versnellingsdata doorrekening plaats voor de nieuwe hazardmap die elk jaar verschijnt. Daarin wordt het actuele maximale dreigingsniveau weergegeven. De nieuwste editie van de hazardmap verschijnt dit voorjaar.
do, feb 21, 2019
Bron: KNMI Nieuwsberichten
19 februari 2019 Ons klimaat verandert. Extreme buien komen vaker voor, de temperaturen stijgen en droogte zorgt regelmatig - zeker in 2018 - voor problemen. Het KNMI onderzocht voor het samenwerkingsverband Klimaatadaptatie Flevoland (KAF) de klimaatverandering in de regio Flevoland.
di, feb 19, 2019
Bron: KNMI Nieuwsberichten
19 februari 2019 Een van de belangrijkste maar tegelijkertijd vaak matig begrepen aspecten van het klimaat betreft natuurlijke variabiliteit (figuur 1). De ene winter is kouder dan de ander, afgelopen zomer was veel droger dan normaal, in sommige jaren wordt Nederland geteisterd door een trits herfststormen, en in andere jaren weer niet. Waarom fluctueert het klimaat eigenlijk? En wat bepaalt de eigenschappen (tijdschaal, sterkte) van de fluctuaties? Nederland In Nederland bedraagt de gemiddelde temperatuur over de periode 1981-2010 9,99 °C, met een jaarlijkse standaardafwijking van 0,76 °C. Voor neerslag is dit gemiddeld 838 millimeter met een standaardafwijking van 113 millimeter per jaar. De langjarig gemiddelden zijn redelijk goed begrepen aan de hand van de energie- en vochtbalans van de atmosfeer, maar dat geldt in veel mindere mate voor de variabiliteit. Dat komt omdat deze grotendeels samenhangt met de chaotische (en dus onvoorspelbare) natuur van het klimaatsysteem, veroorzaakt door de vele complexe processen en interacties. Klimaatmodellen Klimaatmodellen zijn het tamelijk eens in het simuleren van gemiddelden, maar zijn dat veel minder als het gaat om de variabiliteit in het klimaat. Dit komt door de hierboven genoemde chaotische aspecten en doordat modellen wat betreft de vaak subtiele mechanismen die hierbij een rol spelen (zoals oceaan-atmosfeer uitwisselingen) onderling verschillen. Hierbij spelen ook de niet expliciet door de modellen opgeloste processen, zoals turbulentie en kleine regenbuien, een belangrijke rol. Elk model berekent deze processen immers op zijn eigen manier. Gesteld kan worden dat we de natuurlijke variabiliteit van het klimaatsysteem, en de processen die daarbij een rol spelen, nog maar matig begrijpen. Ruimtelijke variaties en trends Klimaatvariabiliteit is geen constante. De fluctuaties variëren sterk van plaats tot plaats, en ook in de tijd. In het Arctische gebied, bijvoorbeeld, is de variabiliteit veel sterker dan in onze contreien (figuur 2). Ook is uit modelstudies gebleken dat de klimaatvariabiliteit zal veranderen als het klimaat opwarmt. Zo zullen de jaar-op-jaar temperatuurvariaties hoogstwaarschijnlijk afnemen, maar die in neerslag juist sterk toenemen. De sterkte van de variabiliteit is van groot belang voor extremen in weer en klimaat, en dus voor de maatschappelijke gevolgen. Een beter begrip van natuurlijke klimaatvariaties, en ook van de veranderingen daarin, is dus essentieel. KNMI-klimaatbericht door Richard Bintanja
di, feb 19, 2019
Bron: KNMI Nieuwsberichten
12 februari 2019 Het Arctische zee-ijs neemt niet alleen af in oppervlak maar ook in dikte. Bij het huidige tempo waarmee volgens satellietmetingen de zee-ijsdikte afneemt, is er over 50 jaar geen zee-ijs meer over in de zomer. Indirecte invloed op zeespiegelstijging Het oppervlak van het Arctisch zee-ijs (figuur 1) neemt al tientallen jaren af (figuur 2) door de mondiale opwarming. De temperatuur in het Arctisch gebied stijgt verder naarmate er meer ijs smelt. Dit komt doordat het donkere water veel meer zonlicht absorbeert dan het witte zee-ijs. Zee-ijs dat smelt heeft volgens de wet van Archimedes geen invloed op de zeespiegel. De zeespiegel stijgt wel door het uitzetten van het water als de temperatuur verder stijgt. Door de toename in temperatuur worden de polen warmer, waarbij ook landijs op Groenland en Antarctica smelt. Het smelten van landijs heeft wel invloed op de zeespiegelstijging. Indirect leidt het verdwijnen van zee-ijs dus wel tot zeespiegelstijging. Naast oppervlakte ook dikte Maar hoe zit het eigenlijk met de dikte van het Arctisch zee-ijs? Metingen van zee-ijsdikte zijn lastig en schaars en waren tot voor kort alleen beschikbaar dankzij meetcampagnes. Voor het bepalen van de totale hoeveelheid zee-ijs zijn metingen op grote schaal echter essentieel. Satellieten bieden uitkomst Satellietwetenschappers van het KNMI gebruiken hiervoor gegevens van de MetOp, ERS en QuikSCAT satellieten. Om te bepalen waar zich zee-ijs bevindt, kijken deze satellieten naar de zogenaamde backscatter - aan het oppervlak weerkaatste radiostraling. Recent onderzoek toont aan dat backscatter ook gebruikt kan worden om een schatting van de zee-ijsdikte te maken. Zo weerkaatst dun, jong zee-ijs (tot één jaar oud) minder radiostraling dan ouder, dikker zee-ijs (meer dan twee jaar oud). Met deze gegevens kan over het hele poolgebied een schatting van de zee-ijsdikte worden gemaakt. Metingen worden voornamelijk gedaan in winterse omstandigheden, wanneer er veel zee-ijs is en er geen water op het ijs staat. Door smelt ontstaat er in de zomer vaak een waterlaagje op het ijs, dat de meting bemoeilijkt. Bijna drie decennia aan satellietmetingen In het onderzoek zijn satellietmetingen gebruikt vanaf 1992. Hiermee is de trend in gemiddelde ijsdikte over de afgelopen 25 jaar in kaart gebracht. Figuur 3 laat de gemiddelde zee-ijsdikte in het Arctisch basin zien in maart, gedurende 1992-2017. Maart is de maand waarin het ijs op z'n dikst is. Een sterke neerwaartse trend is zichtbaar van ongeveer 3 centimeter per jaar. Dat betekent dat over de relatief korte periode van de metingen, de zee-ijsdikte met bijna een meter is afgenomen. In dit tempo is er over 50 jaar geen zee-ijs meer over in de zomer. KNMI-klimaatbericht door Maurits Kooreman en Ruben Egbers
di, feb 12, 2019
Bron: KNMI Nieuwsberichten
07 februari 2019 De kans op een periode die koud genoeg is voor een Elfstedentocht is nu ongeveer eens in de twaalf jaar. Een eeuw geleden was dat nog eens in de vijf jaar. Dit blijkt uit onderzoek van KNMI en Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Als we de opwarming van de aarde tot 2ºC beperken, blijft de kans hangen op ongeveer eens in de 20 jaar. Echter, als de aarde verder opwarmt neemt de kans op Elfstedentochten af tot rond de 1 op 100 jaar in 2050 en nog minder daarna. Rekenen met koude dagen Iedere winter hoopt Nederland op een Elfstedentocht. Een Elfstedentocht vereist een lange strenge vorstperiode. De criteria voor het organiseren van een Elfstedentocht zijn aan verandering onderhevig. De eerste paar tochten konden op dunner ijs verreden worden omdat er nog niet zoveel mensen meededen. Veertig jaar geleden werd de tocht pas georganiseerd als er 15 centimeter ijs lag en dan waren er nog drie dagen nodig voor de organisatie van de tocht. Als de temperatuur 15 dagen lang laag genoeg is, kan de tocht meestal georganiseerd worden Tegenwoordig is dat aantal dagen teruggebracht tot twee en wordt met een ijsgroeimodel in combinatie met de weersverwachting ingeschat hoe dik het ijs dan zal zijn. Daarom rekenen we niet met de Elfstedentochten zelf, maar met de koude die daarvoor nodig is. Het blijkt dat als de temperatuur vijftien dagen lang laag genoeg is, de tocht meestal georganiseerd kan worden. De drempel komt overeen met een temperatuur in De Bilt onder de −4,2 ºC. Dan nog kan het misgaan: in 2012 was het koud genoeg maar bleef het ijs te dun door sneeuwval op een ongelukkig moment. Acht procent kans op een Elfstedentocht Het is lastig de trend in winterextremen te bepalen, omdat er grote verschillen zijn tussen strenge en zachte winters. Toch is er een trend naar hogere temperaturen waarneembaar (zie figuur 1). De koude winters (blauwe uitschieters naar beneden) worden minder koud. De trend is veel kleiner dan de variaties van jaar op jaar: het verschil tussen 2012 (−5,8 ºC) en 2014 (+3,7 ºC) is veel groter dan de langzame gemiddelde opwarming van 1,5 tot 2 graden. De trend kan dus alleen met geavanceerde wiskundige methodes bepaald worden en is zelfs dan nog onzeker. Dit betekent niet dat er telkens 12 jaar tussen zit maar dat de kans elk jaar 1 op 12 is Hier komt uit dat in 2019 er ongeveer 8 procent kans is op een Elfstedentocht (met een onzekerheidsmarge van 5 procent tot 19 procent). Dit wordt ook wel aangeduid met eens in de 12 jaar. Dat betekent niet dat er telkens 12 jaar tussen zit maar dat de kans elk jaar 1 op 12 is. Aan het begin van de twintigste eeuw was dit nog ongeveer 20 procent, dus 1 op 5 jaar. Toekomst We hebben deze berekeningen ook uitgevoerd voor de vier KNMI'14 klimaatscenario's. In elk scenario neemt de kans verder af omdat Nederland opwarmt. Hoeveel hangt af van twee factoren: hoeveel de wereld verder opwarmt (de Gematigde en Warme scenario's) en of het gemiddelde winterweer meer door westenwind gedomineerd wordt (Laag of Hoog). Als we het Parijse doel van maximaal 2ºC opwarming ten opzichte van pre-industrieel halen, blijft de kans op een Elfstedentocht ongeveer 5 procent, afhankelijk van de verandering in overheersende windrichting. Laten we de aarde echter tot 2085 opwarmen tot 3,5 ºC boven het gemiddelde van 1981-2010, zoals in de warme scenario's, dan is de kans na 2050 verwaarloosbaar en kunnen we in totaal niet meer dan nog één à twee tochten verwachten.
do, feb 07, 2019
Bron: KNMI Nieuwsberichten