KNMI Nieuwsberichten

-- Berichten van vandaag.
22 januari 2019 'Wilde ganzen in een V brengen vorst en vriesweer mee'. Spreuken over het weer en vogels zijn al heel oud. Het weer en het veranderende klimaat heeft invloed op het leefpatroon en de vogelstand in Nederland. Klimaatgegevens van het KNMI worden door biologen gebruikt om onderzoek te doen. Om te weten hoe het er met de vogels voor staat worden vogeltellingen gehouden. In het weekend van 12-13 januari werden bijvoorbeeld ooievaars en watervogels geteld en volgend weekend is de Nationale Tuinvogeltelling. Ooievaars blijven, ganzen komen Ooievaars zijn trekvogels maar niet alle ooievaars blijken elk jaar naar het zuiden te vliegen. Zo zijn er tijdens afgelopen winterooievaarstelling in Nederland nog ongeveer 547 ooievaars geteld. Het zijn er dit jaar iets minder dan de afgelopen jaren, waarschijnlijk door de droge zomer. Vaak blijven oudere ooievaars bij zachtere winters hier, als de grond niet is bevroren en er genoeg voedsel is. Klimaatverandering heeft dus invloed op de (waargenomen) ooievaarstrek, maar ook andere factoren zoals het aantal tellers en bijvoeren zijn belangrijk. Ganzen komen in de winter juist in ons land overwinteren. Doordat voedselpieken in hun broedgebied in het noorden door opwarming eerder optreden, wordt het voor deze trekvogels steeds lastiger om de trek goed te plannen. Sommige soorten vinden het in Nederland zo prettig dat ze hier blijven. Temperatuurindex voor vogelsoorten Klimaatverandering beïnvloedt niet alleen de trek van vogels. De afgelopen 40 jaar is de gemiddelde jaartemperatuur in De Bilt ongeveer 1,5 graad gestegen (figuur 1) en hebben zich hier nieuwe warmteminnende soorten gevestigd, zoals de bijeneter, en zijn andere soorten verdwenen of sterk afgenomen, zoals de spotvogel. Om deze veranderingen zichtbaar te maken hebben is er een Community Temperature Index (CTI) ontwikkeld. Deze neemt toe als warmteminnende soorten toenemen en koudeminnende soorten afnemen of gelijk blijven. De CTI voor flora en fauna in Nederland vertoont gedurende de afgelopen 40 jaar een stijgende trend (figuur 2). Deze trend is echter tien keer kleiner dan die van de temperatuur zelf, wat inhoudt dat de flora en fauna achterloopt ten opzichte van de verschuivende grenzen van hun leefgebieden door klimaatverandering. Klimaatschuld De afstand tussen het klimatologisch optimale gebied en het feitelijke leefgebied: 'de klimaatschuld', bedraagt voor vogels de afgelopen 20 jaar gemiddeld meer dan 200 kilometer. Voor insecten, die zich sneller kunnen voortplanten en een kortere generatietijd hebben is deze schuld kleiner. Hierdoor worden ook de afhankelijkheden tussen de soorten verstoord omdat op cruciale momenten bijvoorbeeld de rups te weinig eten heeft en hierdoor ook jonge vogels geen rupsen kunnen eten. Natuur loopt een maand voor Door de zeer zachte decembermaand met een gemiddelde temperatuur van 6,1 graad in De Bilt liep de natuur tot afgelopen weekend nog een maand voor op schema. Dit is vooral aan de bloemen te zien: bloeiende hazelaars, sneeuwklokjes, speenkruid en elzen. Door het koude weer van deze week wordt dit verschil de komende dagen kleiner. Zo blijft niet alleen het klimaat, maar ook het weer van invloed op de natuur. KNMI-klimaatbericht door Dorothé Lucassen, met dank aan bioloog Arnold van Vliet van Wageningen Universiteit.
di, jan 22, 2019
Bron: KNMI Nieuwsberichten
-- Berichten van gisteren of eerder.
18 januari 2019 De oceanen warmen snel op. Een zojuist in het tijdschrift Science verschenen artikel concludeert dat de warmte-inhoud van de bovenste twee kilometer van de oceaan sterker is gestegen dan eerder gedacht. Deze nieuwe schattingen van de opwarming zijn mede het resultaat van meer metingen door het netwerk van Argo meetboeien. De nu gemeten temperatuurtoename van de oceanen komt goed overeen met modelresultaten uit het laatste IPCC report. Een betere indicator voor klimaatverandering In een eerder klimaatbericht hebben we uitgelegd dat de warmte die in het oceaanwater is opgeslagen een veel betere indicator is voor klimaatverandering dan de oppervlaktetemperatuur van de aarde. Immers, het grootste deel van de door het toegenomen broeikaseffect extra vastgehouden energie komt in de oceaan terecht (ca. 94 procent). De rest wordt gebruikt om het landoppervlak en de atmosfeer op te warmen (4 procent), en om ijs te smelten (2 procent). Steeds meer meetboeien De warmte-inhoud van de oceaan wordt steeds beter gemeten (Figuur 1). Voor 2005 waren de metingen vrij grofmazig en vaak beperkt tot de bovenste 700 m. In dat jaar bereikte het Argo netwerk van autonome meetboeien zijn operationele dekking, en sindsdien hebben we een vrij nauwkeurig beeld van de ontwikkeling van de warmte-inhoud van de oceaan. Over de periode 2005-2017 correspondeert de opwarming van de oceanen met een warmteopname van ongeveer 0,6 Watt per vierkante meter, een waarde die goed overeenkomt met de resultaten van klimaatmodellen. In de periode voor 2005 is de warmte-inhoud van de oceanen volgens een betere methode opnieuw bepaald uit de metingen. Ook voor deze periode kloppen de modellen nu beter met de metingen. Tijdelijk achterblijvende temperatuurstijging verklaard Klimaatmodellen werden in het verleden vaak bekritiseerd omdat ze het temperatuurverloop aan het aardoppervlak (daar waar wij leven!) over de periode 2000-2015 niet goed weergeven. Terwijl ze een opwarming simuleren (zoals op grond van het toenemende broeikaseffect te verwachten is), laten de metingen voor die periode een min of meer constante temperatuur zien (Figuur 2). De oplossing is simpel: tijdelijk namen de oceanen iets meer warmte op dan normaal. Intussen is die anomale periode trouwens voorbij. De jaren 2015-2018 waren wereldwijd de vier warmste jaren ooit gemeten. De genoemde resultaten onderstrepen het belang van het Argo netwerk. Afgelopen december heeft dit netwerk de twee-miljoenste meting afgeleverd. Meer hierover in een klimaatbericht dat volgende week verschijnt. KNMI-klimaatbericht door Andreas Sterl en Frank Selten
vr, jan 18, 2019
Bron: KNMI Nieuwsberichten
17 januari 2019 Het KNMI brengt samen met 'ECN part of TNO' en Whiffle een nieuwe en verbeterde windatlas uit. De Dutch Offshore Wind Atlas (DOWA) - vanaf 17 januari 2019 gratis beschikbaar - geeft informatie die de offshore windenergiesector helpt om de wind op de Noordzee beter te begrijpen. Met deze informatie kunnen de Nederlandse overheid en windturbineontwikkelaars offshore windparken efficiënter plannen, bouwen en exploiteren De oude KNMI-windatlas uit 2013 (KNW) is uitgebreid van 35 naar 40 jaar (1979-2019). Daarnaast is ook een nieuwe 10-jarige windatlas gemaakt voor de Noordzee (DOWA). De nieuwe atlas bevat windinformatie tot grotere hoogte en voor een groter domein, de mogelijkheid om lokaal verder in te zoomen en een betere representatie van de werkelijkheid van uur tot uur (dagelijkse gang). Met deze informatie kunnen de Nederlandse overheid en windturbineontwikkelaars offshore windparken nog efficiënter plannen, bouwen en exploiteren. Grotere hoogte en groter domein Omdat windturbines steeds hoger worden en geëxperimenteerd wordt met technieken als energieopwekking met vliegers (kite-power) was het belangrijk windinformatie te hebben op hoogten tot 600 meter. De klimatologie in de KNW-atlas was beperkt tot 200 meter en eerdere atlassen gingen niet hoger dan 100 meter. Ook omvat de windatlas een groter domein inclusief een deel van de Noordzee waar de Duitse offshore windparken worden gebouwd en gepland. Daarnaast bevat de DOWA informatie waarmee lokaal nog verder ingezoomd kan worden van uurlijks en 2,5 bij 2,5 kilometer gridafstand naar 10 seconde en 100 meter. Dit soort informatie is onder andere nuttig voor het berekenen van belasting op windturbines. Betere weergave van de wind op uurbasis Niet alleen het windveld is realistischer, het toegevoegde detail is ook vaker op de juiste plek en op het juiste tijdstip De DOWA is uitgebreid gevalideerd met satellietmetingen (ASCAT), offshore LiDAR-metingen en mastmetingen op zee en op land. De validatieresultaten komen binnenkort op de DOWA-website, maar het is al duidelijk dat de nieuwe windatlas met name wat betreft de uur-op-uur weergave van de wind een behoorlijke verbetering laat zien ten opzichte van de vorige atlas. Niet alleen is het windveld realistischer, het toegevoegde detail is ook vaker op de juiste plek en op het juiste tijdstip. Rol van het KNMI In het DOWA-project werken KNMI, ‘ECN part of TNO' en Whiffle (een spin-off van de TU Delft) niet alleen samen aan het maken van windatlassen met informatie over 'ongestoorde wind', dat wil zeggen zonder invloed van de windparken op de wind (KNW en DOWA), maar ook aan onderzoek om zogeffecten (windschaduw) van windturbines en windparken te modelleren. Verder werkt het KNMI samen met Whiffle aan het combineren van hun weermodel en Whiffle's Large Eddie Simulatie model (LES) om lokaal zeer gedetailleerde windinformatie te kunnen leveren.
do, jan 17, 2019
Bron: KNMI Nieuwsberichten
[unable to retrieve full-text content]
Bron: KNMI Nieuwsberichten